K. Barth K.D. IV 1, Der Weg des Sohnes Gottes in die Fremde blz. 189-190 De door God verkoren mens, dat is het voorwerp van de Genade van God. Over deze mens moeten we, op basis van het Oude Testament, tot de volgende conclusies komen: 1. De door God verkoren mens negeert God en is daarom noodzakelijkerwijs de door God genegeerde mens. Tegelijk geldt dat God deze mens trouw gezworen heeft en deze belofte van trouw houdt, door zijn genade. Toch is de aanklacht tegen en de toorn van God over de mens terecht. De mens valt onder het oordeel en het gericht van God, maar de genade van God is verborgen onder dit oordeel. 2. De door God verkoren mens spreekt God tegen en gaat daaraan ten onder. Deze mens kan niet bestaan voor God, kan helemaal niet bestaan. De circulus vitiosus: de cirkel van de ellende van de mens: De mens wil zelf kiezen in vrijheid, maar wordt gevangene van de machten in de wereld, van de machten van de geschiedenis, van het toeval, maar vooral van zichzelf. De mens wil zelf kiezen: hoe verhoud ik mij tot God, tot de wereld, tot mijn medemens. Deze mens wil dus groot zijn, maar wordt dan geslagen door nietigheid: er wordt over hem beschikt in de dood. Ieder mens bevindt zich in deze cirkel. (Is dit het punt waarop je moet zeggen “de mens kan niet bestaan voor God”?) 3. De door God verkoren mens lijdt onder deze ellende en ondervindt deze ellende niet alleen, maar ziet ook in dat hij lijdt: deze mens is zich bewust van zijn schuld en terechte straf en weet dat hij moet sterven. Het leven van de door God verkoren mens is verschrikkelijk in die zin dat hij steeds moet inzien dat hij verloren is. En als hij dat vergeet , dan klinkt er die stem, die hem steeds maar aanspreekt en dwingt tot dit inzicht te komen. Hebr. 10:31 Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God!1 1Bijbel. Vertaling 1951. 1951, 2006 (Heb 10:31). Nederlands Bijbelgenootschap. Dit is deze situatie van de mens in het Oude Testament. In de boven beschreven ellende kan de mens eten, drinken, slapen, zich zorgen maken of zich inbeelden dat hij zelf allerlei oplossingen kan bedenken (net als alle andere mensen). Toch is Israël het door God verkoren volk en bij dit volk klinkt de stem van de profeten. Deze profeten spreken steeds weer uit dat de mens leeft onder het oordeel en gericht. Hieronder kan de mens niet uit: hij leeft ten dode en dat moet hij zich laten zeggen en ook zelf zeggen. Een voorbeeld: Deut. 32 Volk: 9 Want des HEREN deel is zijn volk, Jakob het Hem toegemeten erfdeel. 10 Hij vond hem in een land van steppen, in een woest land van gehuil in de wildernis. Hij beschutte hem, lette op hem, bewaarde hem als zijn oogappel. 11 Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn vlerken, 12 zo heeft hem de HERE alleen geleid, en geen vreemde god stond hem terzijde. 13 Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde, en eten de opbrengst van het veld; Hij deed hem honig zuigen uit de rots, en olie uit het keihard gesteente. 14 Boter van runderen en melk van kleinvee, met vet van lammeren; en rammen van Basan en bokken, met het vetste der tarwe; en druivebloed dronkt gij, schuimende wijn. 1 ‘Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken, luister, aarde, naar wat ik zeggen zal. 2 Moge mijn onderricht neerdalen als regen, mogen mijn woorden zijn als milde dauw, als regen die de grond doordrenkt, lenteregen die het groen in bloei zet. God 3 Want de naam van de HEER roep ik uit: de HEER is onze God, laat iedereen hem prijzen! 4 Hij is een rots, hij staat voor recht; alles wat hij doet is volmaakt. Trouw is God, rechtvaardig en zuiver, in hem is geen spoor van kwaad. Ontrouw 5 Maar zijn kinderen werden hem ontrouw: tot hun schande gaven zij hun kindschap op. Vals en trouweloos is dit volk. 6 Is dit uw antwoord aan de HEER? Hoe komt u zo dwaas? Waar is uw verstand? Is hij niet uw vader, uw schepper? Hij heeft u gemaakt, hij riep u tot leven. Zelf kiezen 15 Toen werd Jesurun* vadsig en vet, het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots. 16 Ze tergden hem met vreemde goden, met gruwelijke beelden krenkten ze hem. 17 Ze brachten offers aan demonen, aan goden die geen goden zijn, goden die zij eerst niet kenden, nieuwkomers, nog maar net in zwang, die voor hun voorouders niet eens bestonden. 18 U vergat de God die u gebaard heeft, u verwierp de rots die u ter wereld bracht. * (32:15) Jesurun – Jesurun is een andere naam voor Israël. Klacht – Antwoord van God 19 Toen de HEER zag wat u deed, bemerkte hoe zijn kinderen hem krenkten, ontstak hij in hevige toorn en zei: 20 “Ik zal me van hen afkeren en dan eens zien hoe het hun vergaat. Want dit is een verdorven geslacht, niemand van hen is te vertrouwen. 21 Ze tergden mij met wat geen god is en daagden mij uit met hun nietige afgoden. Daarom terg ik hen met wat geen volk is, ik daag hen uit met een volk zonder verstand. 22 Als het vuur van mijn toorn is ontstoken zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren. Geschiedenis van Israël – schipbreuk lijden 23 Ramp na ramp breng ik over hen, al mijn pijlen schiet ik op hen af. 24 Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren, ziekten zullen hen te gronde richten. Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren, giftige slangen laat ik hen bijten. 25 Buiten eist de oorlog zijn tol, binnen heerst de angst voor de dood. Niemand wordt ontzien, man noch vrouw, jong noch oud. De geschiedenis van Israël laat zien wat er dan gebeurt. Deze geschiedenis is een lijdensgeschiedenis. Steeds weer klinkt de vraag: waar is jullie God nu? Deze geschiedenis moet zich wel als lijdensgeschiedenis voltrekken, niet hoewel Israël het uitverkoren volk is, maar juist omdat zij dat is. Aan dit door God verkoren volk moet openbaar worden zowel de afvalligheid en ongehoorzaamheid van het volk zelf, als de verterende liefde van God. Tegelijk wordt aan God openbaar gemaakt het mislukken en breken van de mens. Daarom valt de mens uiteindelijk ook stil voor God, net als Job. In het Oude Testament heeft de mens geen enkel recht van spreken tegen God. Ook niet als zijn lot zeer bitter is. De mens in het OT ervaart de grootste ellende. Toch weet de mens dat hem ten deel valt de gerechtigheid, die hij zo nodig heeft, als de bevestiging van de trouw en de genade van God. Hij weet dat zijn geschiedenis moet zijn als de geschiedenis van Job: lijdensgeschiedenis.